De aansluiting
Meter, hoofdschakelaar met type, polen, stroom en Δ300mA, verdeelbord, aardingsonderbreker en aarding. De spanning en de stroomsoort, bijvoorbeeld 230 V wisselstroom.
Een eendraadschema ziet er de eerste keer uit als een wirwar van lijntjes, letters en cijfers. Toch volgt het een vaste logica: van de meter naar het verdeelbord, en van daar kring per kring naar elk lichtpunt en elk stopcontact. In tien korte lessen leert u volgens die logica zelf een eendraadschema opstellen. U hebt geen voorkennis nodig. Samen tekenen we in 1draad één woning, van de eerste kring tot het plan voor de keuring.
Volg ze in volgorde: elke les voegt een stuk toe aan dezelfde voorbeeldwoning. Na les 10 hebt u een volledig eendraadschema en situatieplan. Voor de voorbeeldwoning rekent u op ongeveer twee uur; de kringen opsporen in een bestaande woning kan veel langer duren. Open het gratis tekenblad in een tweede venster en teken mee. U hoeft geen account aan te maken.
Na deze les weet u welke twee plannen u opstelt, wat erop hoort en hoe een schema is opgebouwd.
Een elektrische installatie in België wordt beschreven met twee tekeningen die bij elkaar horen. Samen vormen ze het plan dat de keurder bij de keuring naast de installatie legt, en dat daarna bij het elektrisch dossier van de woning blijft. Het plan moet de installatie tonen zoals ze werkelijk is uitgevoerd.
De naam “eendraad” komt van de belangrijkste afspraak: één lijn stelt de volledige leiding voor, ook al lopen er in werkelijkheid drie, vier of vijf geleiders naast elkaar. Hoeveel het er zijn en hoe dik ze zijn, schrijft u in een code naast de lijn.
U tekent het schema van de voeding naar de verbruikers. Onderaan komt de voeding binnen: de aansluiting van de netbeheerder met de kWh-meter. Daarna volgt het verdeelbord, een lange horizontale lijn. Van op die lijn vertrekken de kringen naar boven, elk met een eigen hoofdletter. Elke kring bouwt u van onder naar boven op: eerst de beveiliging, dan de leiding, dan de schakelaars en verbruikers.
Hieronder ziet u waar we naartoe werken: het volledige schema van de voorbeeldwoning, een woning met een gelijkvloers en een verdieping. In de volgende lessen tekent u het zelf, stuk voor stuk.
De aansluiting: meter, hoofdschakelaar van 300 mA en aarding. U tekent ze in les 3.
Twee kringen rechtstreeks op het bord: de kookplaat en de oven. Dat is les 4.
Een differentieel van 30 mA met een eigen rail: de verlichting (D, E) en de stopcontacten (F). Dat is les 5.
Een tweede differentieel van 30 mA: wasmachine, droogkast, vaatwasser en badkamer (H tot K).
Werkt u zonder account, dan bewaart 1draad uw tekening tijdelijk in uw browser. Met een gratis account wordt alles automatisch online bewaard.
Handleiding: Rondleiding door 1draad → Bekijk eerst een voorbeeldschema →Na deze les weet u welke kringen u tekent: voor een nieuwe woning maakt u een kringindeling, voor een bestaande woning spoort u de kringen op. Dat is het werk dat vóór het tekenen komt.
Een kring (ook stroomkring of stroombaan) is alles wat achter één automaat (in de volksmond ook “zekering”) hangt: de leiding, de schakelaars, de lampen en de stopcontacten. Wie meteen begint te tekenen, moet achteraf vaak herschikken. Zoek daarom eerst uit welke kringen er zijn. Hoe u dat doet, hangt af van de woning.
Ga kamer per kamer na wat er komt: lichtpunten met hun bediening, stopcontacten en vaste toestellen. Verdeel die daarna over kringen volgens deze regels:
In een bestaande woning ligt de indeling al vast. U zoekt ze op, vanuit het verdeelbord:
Bedien daarbij alleen de schakelaars in het bord; open geen bord, doos of stopcontact. Wat u niet kunt zien, zoals de doorsnede van een leiding die in de muur zit, vraagt u na bij een installateur.
Zo ziet de indeling van onze voorbeeldwoning eruit, een nieuwe installatie. De letters A tot K deelt 1draad straks zelf uit, volgens de plaats van elke kring op het bord. en zijn de twee differentiëlen van 30 mA: ook zij krijgen een letter.
| Kring | Bestemming | Wat erop komt | Hangt achter |
|---|---|---|---|
| Kookplaat | de kookplaat in de keuken | 300 mA | |
| Oven | de oven in de keuken | 300 mA | |
| Verlichting gelijkvloers | woonkamer (2 lampen, 1 schakelaar), traplamp (schakelaar beneden en boven) | 30 mA (C) | |
| Verlichting verdieping | slaapkamer (3 bedieningsplaatsen), gang | 30 mA (C) | |
| Stopcontacten | 5 stopcontactgroepen in de woonkamer, waarvan 2 dubbel | 30 mA (C) | |
| – | Wasmachine, droogkast, vaatwasser | elk toestel een eigen kring | 30 mA (G) |
| Badkamer | lamp met waterbestendige schakelaar, stopcontact | 30 mA (G) |
Uw indeling wordt in 1draad zichtbaar in het tabblad Kringen: een lijst van alle kringen met hun letter, hun aantal punten en hun naam. U vult de namen in terwijl u tekent (les 6), en kunt ze daar op elk moment nalezen.
Na deze les staat het begin van elk schema op uw tekenblad: meter, hoofdschakelaar, verdeelbord en aarding.
Onderaan elk schema staat de aansluiting. Ze bestaat uit vier onderdelen:
Het soort aansluiting bepaalt hoeveel draden er binnenkomen, en daarmee meestal ook hoeveel polen de hoofdschakelaar heeft. Dat schrijft u op het schema als 2P, 3P of 4P. De tabel geeft de gewone gevallen. Tekent u een bestaande installatie, neem dan over wat er op de hoofdschakelaar zelf staat: soms zit er bijvoorbeeld een vierpolig toestel op een driefasige aansluiting zonder nulgeleider, aangesloten volgens het schema van de fabrikant.
| Aansluiting | Voedingsdraden | Meestal | Waar u ze vindt |
|---|---|---|---|
| 230 V eenfasig | 1 fase + nulgeleider | 2P | De meeste woningen, zoals de voorbeeldwoning. |
| 230 V eenfasig op een 3 × 230 V-net | 2 fasen, geen nulgeleider | 2P | Oudere netten, in een deel van het land. |
| 3 × 230 V | 3 fasen, geen nulgeleider | 3P | Driefasig op diezelfde oudere netten. |
| 3 × 400 V + N | 3 fasen + nulgeleider | 4P | Nieuwbouw en woningen met zware verbruikers zoals een warmtepomp of laadpaal. |
Alle metalen behuizingen en de groen-gele beschermingsgeleiders zijn met de aarding verbonden. Raakt er ergens een draad onder spanning met een metalen kast, dan vloeit de stroom weg naar de aarde in plaats van door wie de kast aanraakt. De keurder meet daarom de spreidingsweerstand van de aarding. Het AREI mikt op hoogstens 30 Ω en laat in een woning nooit 100 Ω of meer toe. Tussen 30 en 100 Ω gelden strengere regels voor de differentiëlen (les 5).
Na deze les kiest u bij elke kring de juiste automaat en tekent u de eerste kringen op het bord.
Elke kring begint op het bord met een eigen beveiliging. Ze beschermt de leiding tegen een te grote stroom, want een draad die te veel stroom moet dragen, wordt warm en kan brand veroorzaken. Een te grote stroom ontstaat op twee manieren:
Daartegen beschermt een automaat of een zekering: beide schakelen de kring dan uit.
In de volksmond zijn het synoniemen. Veel mensen zeggen “de zekering is gesprongen”, ook als er een automaat in het bord zit. Zo gebruikt, is “zekering” elke beveiliging op het bord. Technisch zijn het twee verschillende toestellen:
Beide beschermen de leiding tegen overbelasting en kortsluiting, maar ze zijn niet uitwisselbaar bij hetzelfde getal: op 2,5 mm² mag een automaat tot 20 A, een smeltveiligheid maar tot 16 A (zie de tabel hieronder). Zitten er in een oudere woning smeltveiligheden, dan tekent u die, want het plan toont wat er werkelijk zit.
Naast elke automaat schrijft u zijn kenmerken. Bij (stopcontacten) van de voorbeeldwoning wordt dat 2P - C 20A met een kadertje 3000:
Dezelfde gegevens staan op de voorkant van elke automaat in het bord, meestal net onder het merk. Zo kunt u het schema invullen door gewoon in het verdeelbord te kijken:
Welke automaat u kiest, hangt af van de doorsnede van de leiding erachter. Een dunne draad verdraagt minder stroom, dus hoort er een kleinere beveiliging bij. De tabel geeft de bovengrens per doorsnede in een woning (AREI, tabel 4.11); een grotere automaat mag nooit. Of een combinatie echt geschikt is, hangt ook af van de belasting, de manier van plaatsen en de lengte van de leiding (spanningsval). Dat rekent de installateur na. Bij dezelfde doorsnede ligt de grens voor een smeltveiligheid lager dan voor een automaat.
| Doorsnede | Max. automaat | Max. smeltveiligheid | In de voorbeeldwoning |
|---|---|---|---|
| 1,5 mm² | 16 A | 10 A | Verlichting en : 16 A |
| 2,5 mm² | 20 A | 16 A | Stopcontacten, oven en toestellen: 20 A |
| 4 mm² | 25 A | 20 A | — |
| 6 mm² | 40 A | 32 A | Eenfasige kookplaat : 32 A |
| 10 mm² | 63 A | 50 A | Voeding van een bord of een grote verbruiker |
Na deze les weet u welke kringen achter een differentieel van 30 mA horen, wat daarover in 2023 veranderde, en tekent u elk differentieel met zijn eigen rail.
Een differentieelschakelaar (ook verliesstroomschakelaar of kortweg “differentieel”) vergelijkt de stroom die langs de fase vertrekt met de stroom die langs de nulgeleider terugkomt. Loopt er ergens stroom weg, bijvoorbeeld via een defecte wasmachine naar de aarde of door iemand die een draad aanraakt, dan komt er minder terug. Dat verschil heet de lekstroom. Wordt het te groot, dan schakelt het differentieel in een fractie van een seconde uit.
Op 1 juni 2023 werden de regels in het AREI voor woningen strenger. Voor een nieuwe installatie geldt nu, als de spreidingsweerstand van de aarding hoogstens 30 Ω is:
Op het schema staan het type en de kenmerken van elk differentieel. In een woning is minstens type A verplicht, en het differentieel aan het begin van de installatie heeft minstens 40 A.
De voorbeeldwoning volgt die regels. beschermt de verlichting en de stopcontacten (, en ), de wasmachine, de droogkast, de vaatwasser en de badkamer (H tot K). Eén differentieel voor alle zeven kringen zou ook mogen, maar met twee valt bij een lekstroom maar een deel van de woning uit. In een grotere woning verdeelt men de verlichting vaak over beide differentiëlen, zodat nooit alle lampen tegelijk uitvallen.
Op het schema staat elk differentieel op het hoofdbord, met daarachter een eigen rail. Alle kringen op die rail zijn door de 30 mA beschermd. Elke kring houdt wel haar eigen automaat: het differentieel let op lekstroom, de automaat op overbelasting en kortsluiting.
Bij beide differentiëlen van de voorbeeldwoning schrijft u Type A - Δ30mA, 3000 en 2P - 40A. Haal twee getallen niet door elkaar:
Kijk in het verdeelbord, dan vindt u alles wat u op het schema nodig hebt op de voorkant van het differentieel:
Veel woningen zijn aangelegd vóór juni 2023. Daar hangen de verlichting en de stopcontacten vaak rechtstreeks achter de 300 mA, en is er maar één differentieel van 30 mA, voor de badkamer en het wasgoed. De regels van 2023 gelden in de eerste plaats voor nieuwe installaties. Voor bestaande installaties en voor kleinere wijzigingen of uitbreidingen aan bestaande kringen voorziet het AREI afwijkingen en overgangsregels. Enkele nieuwe regels gelden wel voor iedereen, zoals het verbod op type AC. Of uw installatie in orde is, beoordeelt de keurder.
Delen die zijn aangelegd vóór 1 oktober 1981 krijgen op het eendraadschema de vermelding “oude installatie”.
Tekent u een bestaande woning, teken dan wat er werkelijk zit, ook als het eruitziet zoals hieronder. Pas het plan nooit aan naar de regels: de keurder vergelijkt plan en installatie.
1draad geeft de takken met de differentiëlen zelf ook een letter, en , zodat u ze bij naam kunt noemen. Hun naam blijft leeg.
Na deze les schrijft u bij elke leiding de juiste code en geeft u elke kring een naam.
Boven elke automaat loopt de leiding naar de punten van de kring. Op het schema is dat één lijn met een code ernaast. Bij van de voorbeeldwoning is dat VOB Eca 3G2,5:
Naast VOB komt u vaak XVB tegen: een kabel met een stevige buitenmantel, die ook zonder buis op of in een muur mag liggen. Onder de grond hoort hij in een buis; waar en hoe een kabel mag liggen, staat in de technische fiche van de fabrikant. Kies de doorsnede bij de automaat uit les 4: 1,5 mm² voor verlichting, 2,5 mm² voor stopcontacten en de meeste toestellen. De tekentjes op de lijn zeggen hoe de leiding geplaatst is. In 1draad betekenen de twee E-tekens “ingebouwd in de muur” en het rondje “in een buis”.
Ook de aftak- en verbindingsdozen horen op het schema. In 1draad vindt u ze in de groep Aftakpunten.
Binnen een kring krijgt elk punt een volgnummer. Zo ontstaat een label zoals : kring F, punt 3. Dat label komt later ook op het situatieplan, en zo zijn beide plannen aan elkaar gekoppeld. Geef elke kring daarnaast een duidelijke naam, zoals “Verlichting verdieping”. Dat helpt de keurder, en later de bewoner bij een storing.
Kleuren tekent u niet op het schema, maar u moet ze kennen om het schema met de installatie te vergelijken:
| Geleider | Kleur | Functie |
|---|---|---|
| Beschermingsgeleider (PE) | geel-groen | verbindt metalen delen met de aarding; nooit voor iets anders gebruiken |
| Nulgeleider (N) | blauw | de terugweg van de stroom |
| Fase (L) | bruin, zwart of grijs | de geleider die onder spanning staat |
Na deze les kiest u de juiste schakelaar voor één, twee of drie bedieningsplaatsen en tekent u de verlichtingskringen.
Een lichtpunt is een kruisje. Een schakelaar is een rondje met een schuin armpje. De vorm van dat armpje zegt welk soort schakelaar het is. Welke u kiest, hangt af van hoeveel plaatsen het licht bediend moet worden:
| Schakelaar | Symbool | Wanneer kiest u hem? |
|---|---|---|
| Enkelpolig | ![]() |
Eén lamp of lampgroep, bediend vanaf één plaats. De schakelaar onderbreekt alleen de fase. |
| Dubbelpolig | ![]() |
Onderbreekt fase én nulgeleider. Een goede keuze in vochtige ruimten zoals de badkamer. |
| Wisselschakelaar | ![]() |
Altijd per twee: één lamp bedienen vanaf twee plaatsen, zoals boven en onder aan een trap. |
| Kruisschakelaar | ![]() |
Tussen twee wisselschakelaars, voor drie of meer plaatsen. Elke extra plaats is één kruisschakelaar extra. |
Elke lamp met haar schakelaars is één punt op de kring. Twee lampen die u apart wilt bedienen, worden twee punten.
Na deze les tekent u stopcontacten en vaste toestellen, en kiest u de leiding voor een kookplaat.
Een stopcontact is een halve boog met een streepje: het streepje is de aarding. Een dubbel stopcontact krijgt twee bogen naast elkaar, een driedubbel drie. Op tekent u vijf stopcontactgroepen: enkel op punt 1, 2 en 4, dubbel op punt 3 en 5.
Stopcontacten in een woning moeten kinderbescherming hebben: luikjes die de gaatjes afsluiten. Op het schema ziet u dat aan de korte streepjes aan beide uiteinden van de boog.
Vaste toestellen zijn vierkantjes met een eigen tekentje erin. is de kookplaat (vier kookzones), de oven. Elk toestel krijgt een eigen automaat en leiding.
Een klein “h” naast een symbool betekent dat het waterbestendig is. U gebruikt het in de badkamer: bij de lamp, de schakelaar en het stopcontact van . Die letter alleen maakt materiaal niet geschikt voor elke plek: in een badkamer bepalen de zones rond bad en douche welk materiaal waar mag en welke beschermingsgraad (IP) het nodig heeft.
is een gemengde kring: verlichting en een stopcontact samen. Omdat er een stopcontact op zit, gelden voor de hele kring de regels van een stopcontactkring: minstens 2,5 mm², en hoogstens acht punten. Een lichtpunt, of een groep lampen met één gemeenschappelijke schakelaar, telt daarbij als één stopcontact.
Een kookplaat vraagt veel vermogen. In de voorbeeldwoning, met een eenfasige aansluiting, kiezen we een leiding van 3G6 met een automaat van 32 A. Op een driefasige aansluiting kan een kookplaat haar vermogen over twee of drie fasen verdelen; dan zijn er meer geleiders nodig, maar volstaat vaak een dunnere draad. Hoe een kookplaat aangesloten wordt, staat in het aansluitschema van het toestel zelf; de installateur kiest daarop de leiding en de automaat. Op het schema neemt u over wat er werkelijk zit.
Ook nieuwe zware verbruikers krijgen elk een eigen kring met een eigen automaat. Bij een laadpaal hoort een differentieel dat ook gelijkstroomlekken opvangt: een type B, of een type A samen met een detectie van 6 mA gelijkstroom, die in veel laadpalen al zit. Volg daarvoor de handleiding van de laadpaal. Zonnepanelen komen via de omvormer op een eigen kring. In 1draad staan de laadpaal en de warmtepomp bij Toestellen, de omvormers bij Zonnepanelen en batterijen. Voor een thuisbatterij met noodstroom is er een aparte uitleg: een noodstroomkring tekenen.
Alles wat u tekent, komt automatisch in de Materiaallijst. Handig om na te gaan of u niets vergeten bent.
Bekijk een materiaallijst → Handleiding: De materiaallijst →Na deze les tekent u de plattegrond van elke verdieping en zet u elk punt uit het schema op de juiste plaats.
Het situatieplan is een plattegrond met per verdieping de symbolen uit het schema. Onder elk symbool staat zijn label. Dat label is de brug tussen beide plannen: op het schema is exact hetzelfde stopcontact als F3 op het situatieplan.
U stelt het situatieplan op in drie stappen:
Soms draagt meer dan één symbool hetzelfde label. Alles met hetzelfde label hoort bij hetzelfde punt. Neem , de trapverlichting: de lamp en een wisselschakelaar zet u beneden in de inkom, de tweede wisselschakelaar boven in de gang. Op de verdieping staat dus ook een D2, al zit die op de verlichtingskring van het gelijkvloers. In de slaapkamer zet u drie keer : aan de deur en aan beide kanten van het bed.
Werk gerust met beide plannen naast elkaar: klik in het eendraadschema rechtsboven op Situatieplan. Selecteert u aan de ene kant een symbool, dan licht het aan de andere kant mee op.
Na deze les controleert u uw plan met een checklist en drukt u het af als PDF.
Voor u het plan aan de keurder geeft, loopt u het één keer volledig na. Deze checklist volgt dezelfde volgorde als de lessen:
Meter, hoofdschakelaar met type, polen, stroom en Δ300mA, verdeelbord, aardingsonderbreker en aarding. De spanning en de stroomsoort, bijvoorbeeld 230 V wisselstroom.
Een letter, een duidelijke naam en een automaat met polen, curve en stroom die bij de leiding past.
Bij elk differentieel het type, de lekstroom en de stroom. Nieuwe installatie: verlichting, stopcontacten, badkamer en wasgoed achter 30 mA, hoogstens acht kringen per differentieel.
Type, brandklasse, aantal geleiders en doorsnede, bijvoorbeeld VOB Eca 3G2,5. Geen enkele lijn zonder code.
Het juiste symbool voor elke schakelaar, lamp, elk stopcontact en toestel. Hoogstens acht stopcontacten per kring, met kinderbescherming. Ook de aftak- en verbindingsdozen.
Elke verdieping, het verdeelbord en elk punt met zijn label. Niets meer onder “Niet geplaatst”.
Een plan dat netjes getekend is maar niet overeenkomt met wat er in de muren zit, helpt niemand. Vergelijk daarom het schema met het verdeelbord zelf: elke automaat op het bord hoort op het schema, met dezelfde waarde. Dat geldt ook voor een oudere installatie die niet aan de regels van 2023 voldoet: het plan toont de installatie zoals ze is. Verandert er later iets aan de installatie, dan past u ook het plan aan.
Tekenen in 1draad is gratis. U betaalt pas wanneer u het plan zonder beperking wilt afdrukken.
Handleiding: Afdrukken en exporteren → Handleiding: Projectgegevens invullen →Een goed plan bewijst zijn nut pas echt wanneer er iets misloopt. Valt in de voorbeeldwoning automaat uit, dan leest u in het schema dat E de verlichting van de verdieping is, met de punten (slaapkamer) en (gang). Op het situatieplan ziet u meteen waar die zitten. Valt uit, dan vallen de wasmachine, de droogkast, de vaatwasser en de badkamer tegelijk weg. Dat wijst vaak op een lekstroom in een van die toestellen. Trek hun stekkers uit, zet G weer aan en steek ze een voor een terug in: valt G opnieuw uit, dan weet u welk toestel een installateur best eens nakijkt.
Bronnen: het AREI, Boek 1 (installaties op laagspanning), uitgave 2026, gepubliceerd door de FOD Economie, en het overzicht van Volta van de wijzigingen op 1 juni 2023. Laatst nagekeken: oktober 2026.
Begin met de aansluiting, voeg kring per kring toe en zet daarna alles op het situatieplan. Gratis, in uw browser, zonder installatie.
Het eendraadschema toont hoe alles elektrisch verbonden is: beveiligingen, leidingen, schakelaars en verbruikers. Het situatieplan toont waar die onderdelen in de woning zitten. Samen vormen ze het plan van de installatie; labels zoals F3 verbinden ze met elkaar.
Omdat één lijn de volledige leiding voorstelt, ook al lopen er meerdere geleiders. Het aantal geleiders en hun doorsnede staan in een code naast de lijn, bijvoorbeeld 3G2,5.
Bij elke keuring: vóór een nieuwe installatie in gebruik gaat, bij de verkoop van een woning en na een belangrijke uitbreiding of wijziging. De keurder legt het eendraadschema en het situatieplan naast de installatie. Daarna horen ze bij het elektrisch dossier van de woning.
Neen. De voorbeeldwoning volgt de regels voor een nieuwe installatie van na juni 2023. Een bestaande installatie ziet er vaak anders uit, bijvoorbeeld met de verlichting en de stopcontacten rechtstreeks achter de 300 mA. U tekent altijd wat er werkelijk zit. In les 5 ziet u hoe zo'n oudere installatie eruitziet.
Als eigenaar niet meer: sinds 1 juni 2023 hoeft de eigenaar de eendraadschema's en situatieplannen niet meer te dateren en te ondertekenen. Is de installatie bij de keuring conform, dan ondertekenen en dateren de verantwoordelijke van de uitvoering van het werk en het erkend organisme ze wel. Elk plan draagt bovendien een nummer, een versie en de datum van die versie. Bij een nieuwe installatie of een belangrijke wijziging staan ook de naam en hoedanigheid (en het btw-nummer) van wie het werk uitvoerde op de plannen, net als het adres van de installatie.
Het tekenen zelf gaat snel: voor een gewone woning met een tiental kringen rekent u, eens u de lessen kent, op een paar uur voor het schema en het situatieplan. 1draad nummert de kringen en punten zelf en houdt beide plannen aan elkaar gekoppeld. In een bestaande woning kost het opsporen van de kringen vaak meer tijd dan het tekenen, zeker als er niets op het bord staat.
Ja. U kunt meteen tekenen in de browser, zonder account. Voor studenten en leerkrachten bestaat er bovendien een gratis studentenaccount. Schema’s uit een studentenaccount zijn wel niet bruikbaar als officieel AREI-plan.
Neen. Met 1draad kunt u een foto of PDF van een bestaand eendraadschema inscannen. Het wordt omgezet naar een bewerkbaar schema dat u met deze lessen kunt nakijken en aanvullen.
Op de pagina symbolen van het eendraadschema staan alle symbolen die u in 1draad kunt tekenen, met hun betekenis. Voor een thuisbatterij of omvormer met back-upuitgang is er een aparte uitleg: een noodstroomkring tekenen.
Deze lessen leren u het plan opstellen, niet de installatie aanleggen of aanpassen. Werken aan de installatie moet voldoen aan het AREI en wordt bij de keuring gecontroleerd. Laat dat werk over aan een installateur.